Banner

Chaplin

5.0
Dennis Van Dessel - 03 oktober 2004




Het schijnt dat grote komieken in het echte leven heel vaak bijzonder zure en/of ongelukkige mensen zijn. Een clown is iemand die lacht omdat hij anders zou huilen. Dat ging ongetwijfeld op voor Charles "Charlie" Chaplin, één van de grootste komieken aller tijden, wiens privé-leven echter geteisterd werd door herinneringen aan de mentale aftakeling van z'n moeder en de armoede waarin hij was opgegroeid. Een man van geniale komische timing die in het echte leven af te rekenen kreeg met seksuele en politieke schandalen. Een man, kortom, over wie het goed biografieën schrijven en filmen is. Heelder bibliotheken kunnen gevuld worden met werken over Chaplin en z'n films, waarvan er maar weinig minder betrouwbaar zijn dan de autobiografie van de man zelf, 'My Autobiography', een stukje literatuur dat door mensen die het kunnen weten werd afgeschreven als een fenomenaal voorbeeld van goed bedachte fictie. Tegen de tijd dat Chaplin z'n memoires publiceerde, was er immers al lang een mythe ontstaan rond de publieke figuur Charlie Chaplin - en die mythe simpelweg voor een groot gedeelte beamen en opluisteren met uitgebreide, romantisch aandoende fantasieën, is makkelijker en minder pijnlijk dan de waarheid te moeten vertellen.

Voor zijn biopic koos Richard Attenborough er echter voor om in de hoofdlijnen juist 'My Autobiography' als bron te kiezen, wat wil zeggen dat we een blik krijgen op een Chaplin die misschien nooit heeft bestaan: een geniaal kunstenaar, artistiek en sociaal bevlogen, die met de regelmaat van een klok faalde in z'n persoonlijke relaties, maar uiteindelijk het hart op de juiste plaats had zitten. Binnen het raamwerk van een lang gesprek dat de oude Chaplin voert met de uitgever van zijn autobiografie (gespeeld door Anthony Hopkins), krijgen we de hoogtepunten uit het leven van de regisseur en filmster te zien: zijn armoedige jeugd, zijn beginjaren in het vaudevilletheater van het einde van de 19de eeuw, hoe hij ontdekt werd door Mack Sennett voor wie Chaplin vervolgens een aantal kortfilms ging draaien en vervolgens zijn steeds verder rijzende ster aan de hemel van Hollywood.

Chaplin is nog steeds één van de belangrijkste figuren in de filmgeschiedenis - hij was zowat de eerste acteur die artistieke controle kreeg over z'n eigen projecten, één van de eerste grote filmsterren. Samen met Mary Pickford (de originele "America's Sweetheart") en Douglas Fairbanks richtte hij United Artists op, dat erop bezien was om meer autoriteit te geven aan de mensen die effectief films maakten, in plaats van studiobazen die enkel naar hun omzet keken. Hij verzoende melodramatiek en humor in z'n films op een manier die nog steeds ongeëvenaard is, kortom: hij was een indrukwekkend heerschap, die in grote mate mee heeft bepaald welke richting de filmindustrie op zou gaan voor de volgende decennia.

Dat alles komt ter sprake in Attenborough's film, daar niet van, maar het lijkt wel alsof de regisseur hier de kritiek die hij soms kreeg voor 'Gandhi', wat té letterlijk heeft genomen. Voor die prent verweet men hem soms (terecht) dat hij teveel oog had voor de legende Gandhi en te weinig voor de mens die erachter schuilging. Hier lijkt Attenborough vastbesloten om niét zomaar een heiligenbeeldje op te hangen van de grote filmmaker, om op een kritische manier naar de menselijkheid van Chaplin te gaan zoeken. Het portret waar hij mee terugkeert, is dat van een fundamenteel eenzame man, die z'n hele leven lang probeert om de leegte op te vullen van een verloren liefde. Als jongeman in Londen wordt hij verliefd op een revuemeisje - dan vertrekt hij naar Amerika, en tegen de tijd dat hij nog eens terugkeert naar Engeland, na de Eerste Wereldoorlog, blijkt zij gestorven te zijn. Elke vrouw die hij daarna z'n bed inneemt (en dat zijn er wel wat), zal - volgens deze film - een poging zijn om dat meisje terug tot leven te wekken. Chaplin was dol op vrouwen, vooral jonge meisjes (de man heeft naar verluidt in een niet al te bescheiden bui z'n eigen geslacht het "achtste wereldwonder" genoemd), maar achter dat eindeloze rondgeneuk zat volgens Attenborough iets heel anders - angst om alleen te blijven. En angst om gek te worden, net als z'n moeder.

Het siert de regisseur dat hij ditmaal z'n onderwerp op een ietwat kritische manier benadert, maar het eindresultaat is, dat Charlie Chaplin uit de film naar voren komt als een vrouwenloper die tussendoor af en toe eens een film draaide. We krijgen uitgebreide scènes van het montageproces voor 'The Kid', maar dat dan in de context van zijn eerste echtscheiding - zijn ex, Mildred Harris, beschouwde de onvoltooide film als een eigendom van het huwelijk, dat gedeeld diende te worden. Het gevolg was dat Chaplin en z'n medewerkers de grens over moesten vluchten om de prent af te werken. Er wordt dus over 'The Kid' gesproken, maar eigenlijk vooral over de omstandigheden van z'n scheiding. Later zien we hem obsessief werken aan dat andere liefdesproject van 'm, 'The Great Dictator' - Paulette Godard, zijn leading lady en vrouw, kan alleen maar toezien hoe haar man zich in zichzelf terugtrekt, waarbij zij steeds minder belangrijk wordt. Opnieuw wordt de film in de schaduw van de smeuiige details uit Chaplins privé-leven gesteld. In elke biopic moet je een zeer delicate balans vinden tussen de nodige aandacht voor de persoonlijke drijfveren van je onderwerp, en tóch je verplichting om duidelijk te maken waaróm die persoon nu eigenlijk herinnerd wordt. Wat de wereld zich herinnert van Chaplin, is niet z'n seksleven, maar z'n films.

Niettemin doet Attenborough een aantal mooie dingen: in tegenstelling tot 'Gandhi', heeft de film een zeer strak tempo, het gaat goed vooruit. En op gepaste momenten maakt de regisseur hier zelfs gebruik van een aantal techniekjes uit Chaplins tijd - de muziekscore is een regelrechte hommage aan die uit Chaplins films, er wordt een iris gebruikt om fade-outs te creëren (zodat het beeld langzaam zwart wordt in een steeds nauwer cirkeltje), en hier en daar krijgen we zelfs korte slapstick-montages. Let bijvoorbeeld op een vroege scène waarin Chaplin als kind probeert te ontsnappen uit het armenhuis.

Bovendien krijgen we hier Robert Downey Jr. in een ware tour de force-vertolking als het titelpersonage. Downey, nochtans niet bepaald een man met een grote status, spéélt Chaplin niet, hij is die man: niet alleen lijkt hij erg sterk op zijn personage, maar hij weet ook een enorm aantal subtiliteiten in z'n spel te leggen, die duiden op de persoon achter het clownsmasker. Een Charlie Chaplin-imitatie geven, dat kunnen er veel. Maar wie was Chaplin eens de camera's stopten met draaien, en hoe maak je die overgang van de beroemde zwerver naar de teruggetrokken, vaak introverte privé-persoon enigszins geloofwaardig? Downey zet nergens een stap verkeerd, het is werkelijk een fantastische prestatie.

Attenborough heeft, zoals steeds, een film gedraaid die barst van de goede bedoelingen, maar die af en toe willens nillens toch verzinkt in sensatiezucht - dit was een man die het aanzicht van de film voorgoed heeft veranderd. Valt daar echt niets interessanters over te melden dan met wie hij in bed is gekropen?
E-mailadres Afdrukken
 
Chaplin
UK / 1992
Regie: Richard Attenborough
Scenario: William Boyd; Bryan Forbes; William Goldman
Met: Robert Downey Jr.; Geraldine Chaplin; Paul Rhys; Kevin Kline; Diane Lane; Dan Aykroyd; Anthony Hopkins
Duur: 138 min.


Advertentie
Banner
Advertentie

TEST